Johan Grobbée (85), lid van verdienste KNSB, overleden
Auteur: Carl Mureau
Auteur: Carl Mureau
In zijn woonplaats Deventer is Johan Grobbée overleden. Hij was een groot schaatsliefhebber, die zich op diverse niveaus voor de sport heeft ingezet. Grobbée, lid van verdienste van de KNSB, is 85 jaar geworden.
Aan onderscheidingen geen gebrek. Johan Grobbée mocht zich ook Officier in de Orde van Oranje-Nassau noemen (sinds 2001), was erelid van de Deventer IJsclub, ontving de pauselijke onderscheiding Pro Ecclesia et Pontifice (2021) en kreeg vorige maand nog de Deventer Stadspenning. “Maar het meest trots was hij op zijn twee Elfstedenkruisjes”, vertelt zoon Sjon. “Schaatsen was zijn grootste passie.”
Johan Grobbée werd geboren in Dalfsen, kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Als kleuter verhuisde hij, een jaar na de bevrijding, naar Utrecht. Het schaatsen kreeg hij met de paplepel ingegoten. Hij was een echte recreant, die liefst toertochten maakte op natuurijs. In 1985 en 1986 voltooide hij de Friese Elfstedentocht en zoals gezegd, de kruisjes die hij daarvoor ontving, waren hem bijzonder dierbaar.
Grobbée kwam uit een echt vakbondsnest, werkte zelf jarenlang voor de FNV (en zijn voorloper NKV), waar mannen als Wim Kok en Herman Bode de scepter zwaaiden. In 1988 trad hij toe tot de hoofddirectie van de Sociale Verzekeringsbank, gevestigd in Amstelveen. Hij was getrouwd met Joke, samen kregen ze vier kinderen (en vier kleinkinderen), drie zoons en een dochter.
Na zijn pensionering in 2003 verliet Grobbée de Randstad om dichterbij Dalfsen te wonen. Het werd Deventer, waar ze een appartement met uitzicht op de IJssel betrokken. In de IJsselstad kwamen drie belangrijke zaken samen: zijn liefde voor cultuur, sociale betrokkenheid en bestuurlijk werk.
Als voorzitter bouwde hij samen met een groep vrijwilligers het Geert Groote Huis op, dat is uitgegroeid tot een (inter)nationaal bekend museum. Ook was hij actief binnen de katholieke kerk, onder meer als vice-voorzitter van de Heilige Lebuinusparochie, waarin het een kunst was om voor overbodige gebouwen een nieuwe bestemming te vinden.
Johan Grobbée (rechts) met schaatsvrienden van de Deventer IJsclub. | Foto Auke Pluim
Uiteraard zette hij zich ook in voor de Deventer IJsclub, waar hij zelf zijn trainingsrondjes reed. Dat deed hij tot zo’n drie jaar terug, tot het na een val verstandiger werd om ermee te stoppen. Van 2004 tot 2008 was Grobbée voorzitter van de DIJC. Hij blies de roemrijke IJsselcup nieuw leven in, richtte commissies op en realiseerde een verenigingsruimte bij sportcentrum De Scheg.
Grobbée was ook een schaatsvader, die zijn liefde voor de sport overbracht op zoon Sjon, een verdienstelijk wedstrijdrijder. Vaderlief was een trouw supporter, en chauffeur. Als bestuurder zette hij zich tevens in voor de nationale schaatssport. Grobbée was tien jaar voorzitter van de KNSB-sectie langebaan en maakte deel uit van de Commissie-Schenk, die in 2009 advies uitbracht over een nieuwe organisatiestructuur voor de KNSB. Bij deze werkzaamheden kreeg Grobbée waardering voor zijn sterke analyses, politieke handigheid én de kracht om mensen met elkaar te verbinden. Hij stond bekend als integer en sociaal bewogen.
Na zijn afscheid bij de KNSB bleef Grobbée de schaatssport trouw volgen. Als het even kon was hij present bij grote wedstrijden in Thialf. Eind december bezocht hij nog één keer het Olympisch Kwalificatietoernooi. Grobbée was toen al ongeneeslijk ziek. De diagnose die pas drie maanden geleden werd vastgesteld, weerhield hem er niet van om nog drie keer per week op de racefiets te stappen.
De laatste keer was slechts twee weken geleden: thuis op de rollerbank even de benen losfietsen. Daarna ging zijn fysieke toestand snel achteruit. Grobbée overleed op 16 januari, zijn uitvaart is a.s. zaterdag.